Nog een keer richting Tibetaanse grens

Na de simpele huisvesting gisteren, is de kamer bij Sonam best wel weer lekker. Niet dat die nou heel luxe is, want verwarming heb ik niet. Maar een douche wel. Ik loop van mijn kamer, een hutje op het platte dak, richting de trap en houd even stil. De lucht is anders vandaag. Kraakhelder. Alsof er geen vocht en stofdeeltjes meer in de lucht zitten. Mooi! Weer een mooie dag trouwens. Het lijkt wel een soort lente. Wat een mazzel heb ik man!

Tashi en ik gaan weer op stap. Het zal wel weer een lange reis worden, ik schat een uur of 7 heen, en de dag erna, als we via Tso Kar en de derde hoge pas (5.328 meter) van deze week terug rijden, zal ook wel zoiets zijn. De bestemming is weer een meer op een hoogvlakte, Tso Moriri (4.522 meter). Het ligt vanaf Leh gezien ook weer richting de Chinese grens en het is het domein van de sneeuwpanter en Tibetaanse wolf. Klinkt spannend niet?

Een van de vele hangbruggen.

Ik had gedacht dat het sneller kon en dat ik direct vanuit Pangong Tso, het meer waar ik eerder was, door kon steken naar Tso Moriri en vervolgens Tso Kar. Maar helaas, die weg is op last van het leger gesloten voor niet-Indiers. Waarschijnlijk omdat de weg te dicht langs de Tibetaanse grens loopt. Kennelijk hebben India en China nog een appeltje met elkaar te schillen en is er onenigheid over wie de baas is in welk deel.

Ik moet mijn plannen voor de laatste dagen nu wat aanpassen maar wat geeft het. Ik weet nu wel zeker dat ik hierna ook nog een stuk Suru- en Zanskarvallei kan bezoeken. Ik loop dan wel wat risico, als we bijvoorbeeld pech krijgen of ergens vast komen te zitten dan kan ik mijn vlucht naar Delhi (en vervolgens door naar Varanasi) wel vergeten.

De reis naar Tso Moriri wordt een herhaling van zetten — het is weer genieten van eindeloze mooie landschappen. Ergens halverwege stoppen we om te lunchen bij wat warmwaterbronnen. Het water is er vast warm, maar het het is er vooral goor. Overal staan er bordjes met ‘ruim je plastic troep op’ op maar niemand kan schijnbaar lezen. Jammer.

Die landschappen…

We rijden door. Een monnik staat te liften langs de weg. Iedereen lift hier, of ze denken dat we een deeltaxi zijn. Vol is pas vol als er iemand op schoot van de bestuurder zit. Tashi kijkt me vragend aan en ik zeg “tuurlijk joh!” We nemen de vrouwelijke monnik een paar dorpjes mee. Wat opvalt is dat het bij de kleding kennelijk alleen gaat om de dieprode kleur. Hippe monniken dragen gewoon een donkerrode Adidas fleece.

Tashi rijdt onverstoorbaar door. Het is mooi om te zien hoe, naarmate we hoger klimmen, de groene en geelgekleurede bomen langzaam plaatsmaken voor bruinrode struikgewassen en vervolgens felgeel gras. Na het gras komen grote donkergroene graspollen en nog weer een ander soort felgroen gras. En dan, als je eenmaal bijna de sneeuwgrens hebt bereikt, dan zie je alleen nog maar stukjes dood gras met van die typische bergplantjes.

Een klein zoutmeer voor Tso Moriri.

Vlak voor aankomst rijden we over een kleine pas. Vanaf de pas zien we een klein zoutmeer liggen. De omgeving is betoverend. Je raakt er een beetje van in de war. Wie verzint dit nou? Het meer ligt op een hoogtevlakte en de helft ervan wordt omringt door besneeuwde toppen. Niet extreem hoog, maar ik vermoed dat we zelf al snel op vier-en-een-halve kilometer hoogte zitten. De vlakte is kaal en is soms donker gekleurd door rotsvelden of juist strokleurig door het bijna dode gras. Ik denk dat de eerste sneeuw hier al heeft gelegen maar door de sterke zon weer verdwenen is.

Ik stap even uit om het allemaal in me op te nemen. De zon schijnt vel en kleine wattige wolkjes hangen boven de vlakte. Het blauw van de lucht is blauwer dan thuis. Wind is er niet. Geluid ook niet. Niks. Voor ons ligt nog een stuk met fijn zand. Alsof er ook nog een stukje woestijn in dit mooie plaatje moest. Op de toppen bespeur ik grote gletsjers.

Het laatste beetje gras voor deze paarden.

We rijden door en komen een cowboy tegen. Nou ja, zonder koeien dan. Hij houdt een horde paarden in de gaten die zich waarschijnlijk voor de laatste maal te goed doen aan het dorre gras. Zodra de winter hier start, en dat zal niet lang meer duren, dan is het maanden bar. Min veertig schijnt normaal te zijn. Niet dat het leven hier nu gemakkelijk is, maar vandaag is het in ieder geval nog mooi en kalm weer.

Even verder, vlak voor het meer, komen we ook nog een kudde yak’s tegen. Maar al tijden lang zijn er geen sporen van mensen te bekennen. Geen herders of hutjes. Ik bedenk me net dat ik zelfs al een week geen condensstrepen van vliegtuigen heb gezien. Wat een leegte.

Waar zouden de yak’s heengaan als de winter invalt?

We komen aan in het gehucht Karzok. Het is een stoffige straat met wat betonnen huisjes. Op alle daken in Karzok ligt stront. Koeienstront. Yakstront. Stront van de schapen en ezels. En de honden zullen er ook wel kakken. Da’s mooi want daar verwarmen en koken ze ‘s winters op. Van mij mogen ze al wel wat van die wintervoorraad stront aansteken, mijn god, die ijswind gaat door merg en been. Dat beloofd wat.

Tashi’s eerste slaapoptie blijkt vol te zijn. Z’n buurman heeft nog plek. Alles is supersimpel hier. Niks is me te gek, zo lang er maar genoeg dekens liggen. Het zal ook wel weer de vermoeidheid zijn. Ik heb een hutje met aan twee kanten ramen en kan zo een groot deel van het Tso Moriri-meer overzien. De sneeuw op de bergen kleurt al roze. En de lucht wordt diep paars. Vet!

Zoek de geiten.

Nabij het dorp, aan het meer, ligt er een groot stuk vlak land. Ik kan eerst niet goed zien wat al die honderden, misschien wel duizenden stipjes zijn. Het blijken vooral schapen en geiten te zijn. Het duurt niet lang, de zon staat al laag, voordat kudde’s van telkens misschien twee- of driehonderd schapen het veld verlaten. De herders, vaak een echtpaar, loodsen de beesten met hun stokken en door steentjes te gooien, richting het dorp.

Voor ik het doorheb stroomt ook de kooi naast mijn kamer vol. Door het raam zie ik steeds meer geiten door het deurtje naar binnen komen. Als de hele kudde binnen is dan controleert de herder aan de hand van de strepen verf op de hoorns of alleen zijn beesten binnen zijn. Een klein lammetje tilt hij nog op en laat hij drinken bij een andere geit. De deur gaat dicht en de beesten kruipen tegen elkaar aan. Die weten wel beter natuurlijk.

De buren. Gezellig hoor, dat gemekker de hele tijd.

Ik ga nog snel even lopen. Dat zie ik meer mensen doen. In Karzok merk ik nog het meeste van religie tot nu toe. Oude dametjes en mannetjes lopen aan de einde van de dag eindeloos rondjes langs alle relikwieën. Via de Gompa (tempel), langs de stoepa’s, naar de Boeddha op de berg. Ondertussen draaien ze hun gebedsmolen en spreken ze de mantra’s van hun molentje uit. Ik duik de Gompa nog even in en ontmoet de eerste commerciële monnik van Ladakh. Hij ontbreekt z’n chanting even zodat ik een toegangsbewijs kan betalen. Haha.

Ik deel het diner met vier jonge Indiërs. Kennelijk is het voor een groep gewoonte om voordat je gaat trouwen met je vrienden op reis te gaan. We hebben een toffe avond en gelukkig is de kou een beetje uit mijn lijf. Eten helpt. Het advies van de eigenaar is om er direct in te duiken, wat we allemaal doen.

Hoe hou je dat zooitje uit elkaar?!

Ik heb goed geslapen maar man wat moet het koud zijn geweest. Het is bijna 7 uur en ik wacht tot ze op m’n deur bonzen. Ah, daar is m’n emmer heet water. Ik denk uit de zonneboiler op het dak. Ik was me snel en ga naar buiten om snel nog wat foto’s te maken. De beesten zijn weer in beweging. Nu terug naar het veld. Althans, de meeste. Voor m’n neus proberen de geiten van twee verschillende kudde’s samen op te trekken. Het is een vrolijk chaos en stenen vliegen door de lucht in een poging ze te scheiden.

Alle zilte riviertjes in het veld zijn bevroren. De winter zal niet ver weg meer zijn. Ik eet een gebakken eitje en drink wat thee. Bizar dat mensen hier het hele jaar door wonen denk ik nog. Ik hoop maar dat er voldoende kak op de daken ligt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *