Richting Pakistan

Ik moet nog een beetje wennen aan India. Wat een circus hier de hele tijd. Er lopen in Leh bijna net zoveel honden, geiten, koeien en ezels op straat als mensen. En die staan dan ’s avonds drie rijen dik voor de kraam van de groenteboer.

Sonam heeft inmiddels de permit in orde gemaakt en ’s ochtends vroeg pak ik alle spullen in voor een paar dagen weg van Leh. Als ik mijn camera pak dan voel ik pas hoe koud het eigenlijk is. Op de een of andere manier heb je het vaak niet door, de dekens zijn dik zat, maar de kamer zelf is onverwarmd.

Over de ruim 5.5 kilometer hoge Khardung La pas.

Een andere uitdaging met deze temperaturen is het water. Het hete water van de zonneboiler op het dak is soms zo heet, ik zou zeggen kokend heet, dat wanneer je het ijskoude koude water toevoegt het bijna niet meer te regelen is dat je een soort van acceptabele temperatuur kunt instellen om je weer even op te warmen. Nog sterker douchen is best eng. Later in de week in de nachtvorst zo streng dat de boel kapot vriest. Dan wordt het tijd om over te schakelen op een grote emmer heet water en een bakje.

Na het douchen is het tijd voor de gebruikelijk cocktail van Diamox en ORS ter voorkoming van hoogteziekte. En een dikke laag zonnebrand creme. Gevolgd door een paar verse pannenkoeken en sterke oploskoffie in de gastenwoonkamer van Sonam. Tashi wandelt ook binnen en niet te lang daarna gaan we op stap.

Op de top.
Op de top.

We rijden aan de noordzijde het dorp uit richting een van de hoogste passen ter wereld. Althans, waar je met de auto overheen kan. De Khardung La pas rijkt tot 5.359 meter, al zeggen de borden ter plaatse dat het hoogste punt op 5.602 meter ligt en het daarmee de hoogste ‘berijdbare’ pas van de wereld is. Het maakt niet uit, het is al een idioot idee dat je met de auto een berg oversteekt van bijna vijf-en-een-halve kilometer hoog.

De weg is soms erg smal, er is plaats voor één auto of vrachtwagen en soms is het dus een beetje passen en meten. Er zijn niet veel toeristen en het leger komen we op deze weg ook niet veel tegen. Ik weet nog niet wat komen gaat tijdens de rest van mijn trip door India, maar die Ladahkie zijn prima lui op de weg. Geen gedoe op wegen zoals deze. Alles wordt opgelost met een beetje geduld en een lach. Prima zo want de weg is niet helemaal ongevaarlijk. Al na een paar kilometer buiten Leh rijden we de net gevallen verse sneeuw in maar de weg is schoon. Bovenaan de top kun je niet meer spreken van een weg. Het zijn keien en stenen met soms enorme gaten. Offroad met een hoop gehobbel, maar het gaat.

De weg naar de Khardung La pas.

Als we aan de andere zijde afdalen naar de Nubra vallei, kun je na een tijdje zandduinen zien. Alsof je ineens een stuk woestijn inrijdt. Midden in de bergen. Die bergen lijken hier soms van zand en dat stuift kennelijk voor een deel richting het gehucht Hunder. Nog gekker dan die zandduinen zijn de kamelen die er rondlopen. Nu natuurlijk vooral een toeristending, maar het is een overblijfsel van de oude handels- en zijderoutes van Kabul en Islamabad, via Leh naar Kashgar in China.

De enorme Boeddha van Diskit.
De enorme Boeddha van Diskit.

Voordat we verder doorrijden naar het westen, richting de Pakistaanse grens, stoppen we nog even in Diskit. Daar staat, naast een van de weinige Gompa’s in deze vallei, een enorme boeddha op een verhoogt platform. Vanaf een hoogte kijk ik naar een groep jong monniken, jochies nog, ze leren cricket in hun monikkenpakjes. Aan de andere kant van het platform, ik kijk naar het breedste stuk van de vallei waar twee rivieren samenkomen, de Shoyk en Nubra, speelt de wind met het zand. Met enorme wolken van stuifzand tot gevolg. Van een afstand ziet het er in ieder geval mooi uit.

Stuifzand in de Nubra-vallei.

We hebben nog een lang stuk te gaan en rijden door richting de Pakistaanse grens. Iedere 20 kilometer is de vallei anders. Soms door het licht, soms door het gesteente en soms door de variërende hoogte van de enorme toppen ten opzichte van de vallei. Het ene moment rijden we door een dor landschap van enorme keien die nog het meest weg hebben van grote stukken pure chocolade. En een volgend moment rij je weer langs de mooie azuurblauwe Shoyk rivier met kleine stukken bos in de meest intense herfstkleuren. Kleine nederzettingen worden verbonden met de overkant door oude hangbruggen van staal en hout. De meeste zijn alleen geschikt voor voetgangers.

De Shoyk vallei richting Turtuk.

Ieder klein dorpje wordt afgewisseld door twee of drie behoorlijke militaire kampen. Hoe dichter bij de grens, nou ja een grens is iets wat je samen afspreekt, hoe dichter bij de ‘line of control’, hoe meer legeractiviteit. Langzaam veranderd de samenstelling in de dorpjes van voornamelijk boeddhisten naar voornamelijk Shia moslims.

Wanner we een brug paseren en ik voor de zoveelste keer mijn paspoort en permits moet tonen aan het leger of politie zegt mijn chauffeur Tashi me dat dit gebied voor 1971 nog Pakistaans grondgebied was. De dorpjes die dan nog volgen hebben dus vaak nog familie die aan de andere kant van de ‘grens’ woont, en waarmee sindsdien geen fysiek contact meer mogelijk is. Je woont ineens in een ander land.

De tuinen van Turtuk.

Onze eindstop nadert en in het vooral mooie en rustige dorpje Turtuk merk je niks van die spanningen. Mensen leven gewoon hun leven, althans dat is alles wat ik aan de oppervlakte kan zien. De pijn en frustratie zal er nog wel zijn maar voor mij is er een glimlach en een hartelijke groet. In het dorpje is er niets aan legeractiviteit te zien. Kinderen spelen hun eigen vorm van cricket, met een stokje in plaats van een bal, en de rest van het dorp is aan het einde van deze mooie dag nog druk op het land of in de abrikozenboomgaarden, aan het werk.

Cricket is overal numer 1.
Cricket is overal numer 1.

Ik check in in een simpele homestay met uitzicht op een mooie groentetuin en op de achtergrond de bergen aan de Pakistaanse grens. Tashi helpt me, want ik spreek de taal van de eigenaar niet. Maar de glimlach zegt genoeg en er liggen voldoende dikke dekens in de kamer die hij me toont.

M'n eenvoudige homestay.
M’n eenvoudige homestay.

Ik slenter nog even door het dorp voordat het echt donker wordt. Nog net op tijd bereik ik het einde ervan. Al ligt hij misschien wel 50 of 60 kilometer verder, vanaf dit punt in Turtuk heb je zicht op de besneeuwde top van de K2, de twee na hoogste berg van de wereld (8.611 meter). Hij maakt de vijf- en zesduizenders die me omringen klein en ik heb nu nog meer zin in mijn trip naar de Suru en Zanskar vallei met de toppen Nun en Kun. Beiden zijn meer dan 7 kilometer hoog en liggen dichtbij een met de auto te berijden pad.

Sterren en de melkweg.
Sterren en de melkweg.

Ik eet ergens wat in een tuin nabij m’n gasthuis, het is inmiddels donker en de hemel is gewoon belachelijk. De maan is vrijwel verduisterd en na mijn hap doet de eigenaar ook de lichten voor me uit. Ik ben z’n enige klant. Door de hoogte en schone lucht zijn er ontelbare sterren te zien en geeft de gekleurde melkweg hier zelfs een zacht licht. Magisch!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *